Contact FutureLearn for Support
Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

De uitzonderingen van art. 1:1 lid 2 Awb

Zonet heb je nagedacht over de vraag waarom de wetgevende macht op grond van de Awb geen bestuursorgaan is. Als je artikel 1:1 lid 2 Awb leest, valt het op dat er nog meer organen, personen en colleges worden genoemd, zoals de Eerste en Tweede Kamer (sub b) en de onafhankelijke, bij wet ingestelde met rechtspraak belaste organen - oftewel: de rechters (sub c).

In Week 2 hebben we al gesproken over de trias politica en de scheiding der machten. De regels van de Awb zijn bedoeld voor de uitvoerende macht (het bestuur) en daartoe behoren de wetgevende en de rechtsprekende macht niet!

De drie machten worden met het oog op de trias politica zoveel mogelijk gescheiden. Daarom worden de ‘wetgevende macht’ en veel van de andere uitzonderingen die zijn genoemd in het artikel niet aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van de Awb. Dit heeft onder meer tot gevolg dat wetten in formele zin geen besluiten in de zin van de Awb zijn; ze vallen daardoor niet onder het toezicht van de bestuursrechter.

Of zoals het in de memorie van toelichting bij de Awb ten aanzien van de wetgever is geformuleerd:

“Diens bevoegdheden nemen een zodanige plaats in de constitutionele rechtsorde in dat hij buiten het bereik van de Awb behoort te blijven.”

In de memorie van toelichting geeft de indiener van een wetsvoorstel - dit is vaak de regering - een toelichting op het voorstel. Zie Week 2.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen