Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Bestuursorganen hebben te maken met een aantal ‘spelregels’ waaraan ze zich moeten houden in hun verhouding tot de burger. Deze spelregels worden de ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ genoemd (afgekort als ‘abbb’). Een bestuursorgaan is verplicht de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen bij het vaststellen van besluiten. Onder deze beginselen vallen onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat een bestuursorgaan een besluit zorgvuldig voorbereidt. Het dient kennis te nemen van alle relevante feiten en af te wegen belangen. Vervolgens moet het bestuursorgaan de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegen, zie art. 3:4 Awb. Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de nadelige gevolgen voor betrokken burgers bij een besluit in redelijke verhouding moeten staan tot de met het besluit te dienen doelen, zie art. 3:4 lid 2 Awb.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur bevatten formele beginselen, die betrekking hebben op (de procedure van) de totstandkoming van besluiten. Daarnaast bestaan er materiële beginselen, die betrekking hebben op de inhoud van besluiten.

Hieronder noemen we nog enkele belangrijke formele en materiële abbb:

Formele abbb:

  • Het legaliteitsbeginsel: de bevoegdheid die een bestuursorgaan uitoefent moet een basis hebben in de wet.

  • Het motiveringsbeginsel (art. 3:46 jo. 3:47 Awb): volgens art. 3:46 Awb moet aan een besluit een draagkrachtige motivering ten grondslag te liggen. De argumentatie moet deugdelijk en begrijpelijk zijn.

  • Het rechtszekerheidsbeginsel: een bestuursorgaan moet rechtsregels consequent toepassen. Met andere woorden: geen willekeur. Daarnaast moet een besluit ook geformuleerd worden op een zodanige wijze dat burgers weten waar ze aan toe zijn.

  • Het fair-play-beginsel: het bestuursorgaan moet open, eerlijk en onpartijdig zijn (art. 2:4 Awb).

Ook het hierboven genoemde zorgvuldigheidsbeginsel valt onder de formele abbb.

Materiële abbb:

  • Het verbod van détournement de pouvoir: het bestuursorgaan mag een bevoegdheid enkel uitoefenen voor het doel waarvoor deze is verleend (art. 3:3 Awb).

  • Het vertrouwensbeginsel: als een bevoegd bestuursorgaan vertrouwen opwekt door een toezegging te doen (zoals tot het verlenen van een bouwvergunning), moet dat gehonoreerd worden als er bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen zijn ontstaan.

  • Het gelijkheidsbeginsel: dit beginsel spreekt voor zich. Gelijke gevallen moeten door een bestuursorgaan gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen ongelijk.

  • Ook het hierboven besproken evenredigheidsbeginsel (ook wel verbod van willekeur) valt onder de materiële abbb.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen

Contact FutureLearn for Support