Contact FutureLearn for Support
Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

Het Burgerlijk Wetboek

We beginnen deze week met een schema dat we vorige week al hebben gezien:

schema

Zoals we al weten kan het privaatrecht worden opgedeeld in materieel en formeel recht. Het formele gedeelte noemen we ook wel het burgerlijk procesrecht en is hoofdzakelijk te vinden in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (afgekort: Rv).

We gebruiken hier met name de term ‘privaatrecht’, maar bedenk dat ‘civiel recht’ en ‘burgerlijk recht’ hetzelfde betekenen.

Een hele belangrijke bron van materiëel privaatrecht is het Burgerlijk Wetboek (BW). Het Burgerlijk Wetboek is, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, niet één boek maar een set van wetboeken met alle een eigen onderwerp.

Zoek het Burgerlijk Wetboek op. Je kunt wetten.nl gebruiken, maar andere sites mogen uiteraard ook. Als je het liefst een papieren wettenbundel gebruikt houden we je uiteraard ook niet tegen. Zorg dan wel dat deze recent is, wetgeving is immers constant aan verandering onderhevig.

Je ziet dat het BW als volgt is ingedeeld:

  • Boek 1: Personen- en familierecht
  • Boek 2: Rechtspersonen
  • Boek 3: Vermogensrecht algemeen
  • Boek 4: Erfrecht
  • Boek 5: Zakelijke rechten
  • Boek 6: Verbintenissenrecht algemeen
  • Boek 7: Bijzondere overeenkomsten
  • Boek 7A: Bijzondere overeenkomsten: vervolg
  • Boek 8: Verkeersmiddelen en vervoer
  • Boek 10: Internationaal privaatrecht

Overigens is het geen foutje van ons dat ‘Boek 9’ niet in de lijst voorkomt. Het was ooit het plan om regels betreffende de intellectuele eigendom (zoals auteursrecht, merkenrecht, octrooirecht, modellenrecht etc.) op te nemen in dat boek van het BW, maar dat is er nooit van gekomen. Dat zal er ook wel nooit van komen, omdat dit soort zaken steeds vaker in het internationale recht geregeld worden. Er is een nieuwssite over intellectuele eigendom die, met een knipoog naar deze situatie, boek9.nl heet.

Als je naar de boeken van het BW kijkt, kun je de verschillende onderdelen van het privaatrecht terugzien. Er zijn verschillende indelingen denkbaar, maar wij houden de volgende indeling aan: - Het personen- en familierecht (boek 1); - Het rechtspersonenrecht (boek 2); - Het vermogensrecht (hoofdzakelijk de boeken 3, 4, 5, 6, 7 en 7A).

Hieronder volgt een overzicht van de onderdelen van het privaatrecht in vogelvlucht.

Personen- en familierecht

Het personen- en familierecht gaat voornamelijk over trouwen, scheiden, geboorte en afstamming en is hoofdzakelijk neergelegd in het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek.

Zo stelt het eerste lid van artikel 30 van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek (of zoals je het kort mag schrijven: art. 1:30 lid 1 BW) dat een huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van verschillend of van gelijk geslacht. Oftewel: het homohuwelijk is in Nederland bij wet mogelijk gemaakt, en wel in dat artikel.

Ook het recht op naam, het vaderschap en gezag over een kind zijn onderwerp van het personen- en familierecht.

Rechtspersonenrecht

Een rechtspersoon is niet echt een ‘persoon’, maar meer een juridische constructie waarmee organisaties of instanties in het rechtsverkeer zelf drager kunnen zijn van rechten en plichten. Een rechtspersoon is, net als een ‘natuurlijke persoon’ een rechtssubject: een zelfstandige drager van subjectieve rechten en plichten.

Hoe belangrijk rechtspersoonlijkheid is voor de praktijk, blijkt uit het volgende voorbeeld:

Guus heeft samen met een groep anderen een succesvolle voetbalclub. De club is echter zo groot geworden dat het praktisch onmogelijk is geworden om de zaken goed op orde te houden. Guus betaalt de salarissen van de spelers, Leo betaalt de huur van het stadion, Erwin koopt en verkoopt replica-shirtjes aan fans, Frank beheert de financiën van de club et cetera. De kosten die ze maken worden iedere keer onder elkaar verrekend. Guus ligt overhoop met een speler omdat er geen salaris betaald zou zijn. De gemeente zit ook met de handen in het haar. Zij heeft deze maand geen huur ontvangen en heeft geen idee wie binnen de club daar verantwoordelijk voor is. Kortom: het overzicht is totaal zoek.

Gelukkig komt bovenstaande situatie niet (althans zelden) voor dankzij de juridische constructie van rechtspersoonlijkheid. In plaats van alle betrokkenen met de rechten en plichten op te zadelen, valt alles onder één entiteit: de rechtspersoon (een voetbalclub zal vaak een vereniging, een BV of een NV zijn). Doordat de club rechtspersoonlijkheid heeft kan het, als zelfstandige drager van rechten en plichten (als rechtssubject), vanuit het eigen vermogen zelf de spelerssalarissen en de huur van het stadion betalen. Voor de buitenwereld is het ook praktisch. Er is één aanspreekpunt: de rechtspersoon.

Boek 2 BW geeft belangrijke regels omtrent rechtspersonen. Zo geven de eerste drie artikelen aan welke entiteiten allemaal rechtspersoonlijkheid bezitten en stelt art. 2:26 lid 3 BW dat een vereniging geen winst mag uitkeren aan haar leden.

Vermogensrecht

Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn zoals gezegd dragers van rechten en plichten. De in geld uit te drukken rechten en plichten vormen samen het vermogen. Het vermogensrecht is het geheel van bepalingen dat betrekking heeft op vermogensbestanddelen.

Zo is bijvoorbeeld het auteursrecht op een film die je hebt gemaakt geld waard. Dit maakt onderdeel uit van je vermogen. De plicht om de lening terug te betalen die je hebt afgesloten om de film te maken is echter ook een (negatief) onderdeel van je vermogen.

Het vermogensrecht valt ook weer op allerlei manieren onder te verdelen. De twee belangrijkste componenten zijn echter het goederenrecht en het verbintenissenrecht. Het erfrecht wordt ook tot het vermogensrecht gerekend en staat in boek 4 BW. We laten het erfrecht en het goederenrecht hier buiten beschouwing. We gaan wel kort in op het verbintenissenrecht, omdat de onrechtmatige daad hier deel van uitmaakt.

Verbintenissenrecht

Een verbintenis is een rechtsverhouding tussen partijen waarbij de ene partij (de debiteur of de schuldenaar) een prestatie (zoals een geldbedrag) is verschuldigd aan de andere partij (de crediteur of de schuldeiser). De schuldeiser heeft dus recht op een prestatie van de schuldenaar, en de schuldenaar heeft de plicht de schuldeiser een prestatie te leveren. De basis van een verbintenis kan een overeenkomst zijn (een afspraak tussen partijen), maar een verbintenis kan ook voortvloeien uit de wet.

Een ‘verbintenis uit de wet’ houdt in dat de wet voorschrijft dat na een bepaalde gebeurtenis of handeling een partij een prestatie verschuldigd is aan een andere partij. Als A een schilderij van B kapotmaakt, bepaalt de wet dat A de schade aan B moet vergoeden. Hierover hoeven A en B niet eerst een aparte overeenkomst te sluiten.

Het verbintenissenrecht is met name te vinden in boek 3 en boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Zoals gezegd: dit was het privaatrecht in vogelvlucht. Van al deze onderdelen gaan wij ons deze week richten op een heel klein - maar voor de praktijk wel belangrijk - onderdeel van het verbintenissenrecht: het leerstuk van de onrechtmatige daad. In het schema van privaatrecht kunnen we de onrechtmatige daad als volgt plaatsen:

schema

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen