Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

Het legaliteitsbeginsel

Het legaliteitsbeginsel is uitgewerkt in zowel het Wetboek van Strafrecht als het Wetboek van Strafvordering. De uitwerking van het legaliteitsbeginsel in art. 1 Sr noemen we het materiële legaliteitsbeginsel, de uitwerking in art. 1 Sv het formele legaliteitsbeginsel.

Het materiële legaliteitsbeginsel

Lees het volgende wetsartikel uit het Wetboek van Strafrecht. Hierin is het zogenaamde materiële legaliteits­beginsel opgenomen:

Art. 1 Sr lid 1. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Art. 1 Sr lid 2. Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.”

Art. 1 lid 1 Sr bevat het zogenaamde nulla poena-beginsel. De wetgever kan geen bepalingen maken die gedra­gingen achteraf strafbaar stellen; iemand kan in beginsel alleen gestraft worden op basis van een wettelijke strafbepaling die op het moment van de gedraging al bestond. Dit vormt een belangrijk kenmerk van de rechtsstaat en zorgt voor rechtszekerheid. Het wordt ook wel het verbod van terugwerkende kracht genoemd.

Art. 1 lid 1 Sr is niet alleen van belang voor de wetgever, maar ook voor de rechter. Lid 1 houdt namelijk ook een verbod op analogie in. We spreken van een redenering naar analogie wanneer een rechtsregel voor een wel in de wet geregeld geval wordt toegepast op een geval dat niet onder de letter van de wet valt, maar daar wel sterk op lijkt.

Het is verboden om feiten die niet zwart op wit strafbaar zijn gesteld toch onder een strafbaar feit dat daar erg op lijkt te brengen. De rechter zou daarmee immers gedragingen kunnen bestraffen die niet voorafgaand strafbaar gesteld waren. Wat de rechter wel mag doen, is een regel wat ruimer interpreteren. Ook weer niet té ruim, want dat zou kunnen leiden tot het ontstaan van een nieuwe rechtsregel hetgeen dan weer in strijd is met het analogie-verbod.

Denk bijvoorbeeld aan een noodverordening die het nuttigen van bier op een bepaalde plaats verbiedt. De burgemeester had ook het nuttigen van ‘alcoholhoudende drank’ kunnen verbieden, maar heeft dit expliciet niet gedaan. Als de rechter het nuttigen van wijn - waar ook alcohol in zit - zou scharen onder deze verbodsbepaling handelt hij in strijd met het verbod op analogie.

Art. 1 lid 2 Sr kan worden gezien als uitzondering op lid 1. Als de toepasselijke regel is veranderd nadat het feit is gepleegd, dan moet de voor de verdachte meest gunstige regel worden toegepast. Dat betekent dat als de ‘nieuwe’ bepaling gunstiger is dan de ‘oude’, de nieuwe bepaling toegepast moet worden. De nieuwe bepaling heeft dan dus terugwerkende kracht!

Een andere uitzondering kun je vinden in art. 7 lid 2 EVRM. Een handelen of nalaten dat een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de ‘beschaafde volken’ worden erkend, kan ook achteraf strafbaar worden gesteld. Denk hierbij aan ernstige oorlogsmisdrijven die tijdens de oorlog in dat land zelf niet strafbaar waren.

Het formele legaliteitsbeginsel

Ook het formele strafrecht kent, net als het materiële strafrecht, een legaliteitsbeginsel:

Art. 1 Sv: “Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.”

Je kunt je misschien nog van Week 2 herinneren dat als de Grondwet in een artikel spreekt van “bij de wet” alleen de formele wetgever bevoegd is om regels te maken over het onderwerp waarop dat artikel ziet. Zo is dat in art. 1 Sv ook bedoeld. Dit betekent dat lagere overheden (zoals gemeenten, provincies of waterschappen) geen regels mogen maken die voorschriften over strafvordering inhouden.

Dat geldt dus niet voor het materiële strafrecht. Vergelijk het materiële legaliteitsbeginsel uit art. 1 Sr maar eens met het formele legaliteitsbeginsel uit art. 1 Sv. Dat is ook de reden dat je materieel strafrecht in allerlei regelingen aantreft, maar formeel strafrecht bijna uitsluitend in het Wetboek van Strafvordering!

Het gevolg hiervan is dat de regels over strafvordering uit het Wetboek van Strafvordering in principe voor heel Nederland gelden. Dit zorgt voor rechtseenheid. Het formele legaliteitsbeginsel zorgt ook voor rechtszekerheid. Strafvordering is een manier waarop de overheid op ingrijpende wijze macht uitoefent over burgers. We hebben in Week 2 gezien dat de overheid in een rechts­staat daarbij gebonden is aan regels. In dit geval regels over hoe de overheid het strafproces moet inrichten. Zo wordt voorkomen dat de overheid burgers willekeurig en op allerlei verschillende wijzen straf­rechtelijk kan vervolgen.

Later deze week komen we nog volop te spreken over het formele strafrecht. We gaan ons nu eerst concentreren op het materiële strafrecht.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen

Contact FutureLearn for Support