Contact FutureLearn for Support
Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

Noodweer(exces): een schematische weergave

Je hebt gedurende de hele cursus gemerkt dat we je zo nu en dan even in het diepe gooien. Dat is nu ook weer het geval. Hieronder vind je een schematische opsomming van de criteria waar een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces aan moet voldoen.

Je hoeft dit schema niet uit je hoofd te leren! Bekijk het wel goed, want hierna gaan we aan de hand van allerlei casus oefenen met het toepassen van de criteria. Je kunt het overzicht daarbij bij de hand houden.

We beginnen bij het wetsartikel waarin de strafuitsluitingsgronden noodweer en noodweerexces zijn opgenomen:

Art. 41 Sr

  1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
  2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Onder de term ‘aanranding’ moet je verstaan: ‘aanval’, ‘mishandeling’, ‘beschadiging’, ‘diefstal’ et cetera.

Lid 1 gaat over noodweer, lid 2 over noodweerexces. We beginnen bij noodweer.

Noodweer

In de tekst zijn vijf voorwaarden te lezen die aanwezig moeten zijn voor een succesvol beroep op noodweer. Het moet gaan om:

  1. een ogenblikkelijke aanranding;
  2. van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed;
  3. die aanranding moet wederrechtelijk zijn;
  4. de verdediging moet noodzakelijk zijn;
  5. die noodzakelijke verdediging moet geboden zijn.

1. ‘Ogenblikkelijke aanranding’

Volgens de wetgever en de rechter is een aanranding ogenblikkelijk als het gaat om:

  • een reeds begonnen en nog niet beëindigde aanranding; of
  • een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Een dreigende houding is niet voldoende; evenmin als de enkele vrees voor een op handen zijnde ‘aanranding’. Er moet met andere woorden sprake zijn van een concrete en duidelijke (‘geobjectiveerde’) aanwijzing dat er onmiddellijk gevaar dreigt.

2. ‘Van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed’

  • Lijf: lichaam (en onder omstandigheden ook de beperking van de bewegings­vrijheid: vastpakken e.d.);
  • Eerbaarheid: seksuele eerbaarheid (dus niet belediging etc.);
  • Goed: voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten, incl. dieren. (dus niet immateriële dingen, zoals rechten).

3. ‘Wederrechtelijke aanranding’

De ‘aanranding’ wordt begaan door een persoon die niet in zijn recht staat. Anders is dat bijvoorbeeld bij politie­functionarissen die onder omstandigheden wel rechtmatig handelen als ze iemands lijf ‘aanranden’ bij een aanhouding. Een verdediging tegen deze ‘rechtmatige aanranding’ levert dus geen noodweer op. De aanranding was immers niet wederrechtelijk.

4. ‘Noodzakelijke verdediging’

Kon de aanranding op eenvoudige en niet-strafbare wijze worden voorkomen dan wel afgewend? Dan is de verdediging niet noodzakelijk te noemen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de aanranding ontzenuwd had kunnen worden door weg te lopen of door de politie te bellen.

Wanneer een aanranding moedwillig geprovoceerd wordt, kan er sprake zijn van ‘eigen schuld’ (culpa in causa). Het kan zijn dat de verdediger zoveel eigen schuld heeft aan het ontstaan van de aanranding dat hij zich niet meer kan beroepen op noodweer(exces).

5. ‘Noodzakelijke verdediging geboden’

Hiervoor dient voldaan te zijn aan de vereisten van:

  • Proportionaliteit: past het middel bij het te beschermen belang? Het door de verdediging geschade belang mag niet groter zijn dan het verdedigde belang. Zo weegt een verdediging tegen de diefstal van een handtas waarbij de dief het met zijn leven moet bekopen niet op tegen het eventuele verlies van de handtas.

  • Subsidiariteit: was een minder zware reactie mogelijk? Afhankelijk van de persoon van de aanrander en van de verdediger en alle andere omstandigheden van het geval, kan bijvoorbeeld het lossen van een schot onaanvaardbaar zijn als de aan­rander ook anderszins ‘onschadelijk’ kon worden gemaakt.

Kortom: het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel houden in dat het doel niet alle middelen heiligt. Daarbij liggen beide beginselen sterk in elkaars verlengde.

Noodweerexces

Het kan zijn de verdediging niet voldoet aan de eisen van subsidiariteit en/of proportionaliteit (de vijfde eis). De verdediger kan dan geen beroep meer doen op noodweer. Wellicht kan er nog wel een beroep worden gedaan op ‘noodweerexces’.

Voorwaarden voor een succesvol beroep op noodweerexces:

1. Er moet sprake zijn van een noodweersituatie

Van een noodweersituatie is sprake indien voldaan wordt aan de voorwaarden 1 t/m 4 die gesteld worden aan noodweer.

2. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden

Het beroep op noodweer kan stuklopen op het vijfde vereiste (is de noodzakelijke verdediging geboden?) omdat niet voldaan is aan de eisen van subsidiariteit en/of proportionaliteit:

  • De verdediging is in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, vanwege de ‘intensiteit’ van dat handelen. Ook wel intensief noodweerexces genoemd.

Denk aan het met een honkbalknuppel op het hoofd slaan van een dief, terwijl deze enkel een appel heeft gestolen. De verdediging staat dan in niet in redelijke verhouding tot de aanranding.

  • De verdediging is in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, omdat het handelen nog voortduurt terwijl dat niet meer nodig is (omdat de aanranding al is ‘afgeslagen’). Ook wel extensief noodweerexces genoemd.

Het met een honkbalknuppel te lijf gaan van een inbreker kan onder omstandigheden proportioneel en subsidiair zijn. Het doorslaan op de inbreker terwijl deze al bewusteloos op de grond ligt, voldoet niet meer aan die eisen.

  • De verdediging begint pas als de aanranding al is afgelopen. Er is dan meestal sprake van een reflexmatige reactie op een kortstondige aanranding. Ook wel het tardief noodweerexces genoemd.

Denk aan de situatie dat A een enkele vuistslag uitdeelt aan B. B draait zich om en slaat in een reflex terug, terwijl dat niet nodig was ter verdediging omdat de aanranding meteen al was afgelopen. A hield het immers bij een enkele vuistslag.

3. De zogenaamde ‘dubbele causaliteit’

In het geval dat de verdediger de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden kan er een geslaagd beroep op noodweerexces worden gedaan als de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging:

  • het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging
  • die is veroorzaakt door de aanranding.

Anders gezegd, de aanranding moet bij het slachtoffer een hevige gemoedsbeweging teweeg brengen en de buitensporige reactie op de aanval moet het onmiddellijke gevolg zijn van die hevige gemoedsbeweging.

Dat is ook wel begrijpelijk. Iemand met een ‘kort lontje’ zou bijvoorbeeld om die reden niet eerder een geslaagd beroep op noodweerexces moeten kunnen doen. Ook mag de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet het gevolg zijn van bijvoorbeeld onverwerkte wraakgevoelens over andere gebeurtenissen uit het verleden.

Je kunt dit schema downloaden via de link onder dit artikel.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen