Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

Formeel strafrecht

Het strafprocesrecht bevat regels over de strafrechtspleging en is hoofdzakelijk neergelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Net als het Wetboek van Strafrecht begint ook het Wetboek van Strafvordering met een soort legaliteitsbeginsel. In een van de eerdere stappen kwam dit al even aan de orde.

In art. 1 Sv wordt het volgende bepaald:

“Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.”

Art. 1 Sv belichaamt het streven naar rechtseenheid en rechtszekerheid. Regeling van het strafprocesrecht bij formele wet bevordert die rechtseenheid en rechtszekerheid. Strafrechtspleging is een vorm van machtsuitoefening door de overheid. In een rechtsstaat is een overheid daarbij gebonden aan bepaalde regels. Deze regels beschermen de burger tegen willekeur bij handelen door de overheid.

Een belangrijk kenmerk van het Nederlandse strafproces is het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie (OM). In Nederland is het OM als enige bevoegd om een strafrechtelijke vervolging aan te vangen. Hierbij is het zogenaamde opportuniteitsbeginsel dat is neergelegd in de artikelen 167 lid 2 en 242 lid 2 Sv van belang. Dit beginsel houdt in dat het OM van vervolging kan afzien, indien zij dit wenselijk (opportuun) acht. Het OM heeft dus - in tegenstelling tot in sommige andere landen - geen vervolgingsplicht. Het OM kan bijvoorbeeld van vervolging afzien wanneer de zaak erg onduidelijk is, wanneer er onvoldoende bewijs is, als er een grote kans is dat een beroep op een strafuitsluitingsgrond zal slagen, of als de belangen van verdachte en/of zijn gezin onevenredig zullen worden geschaad door een strafvervolging.

Wanneer het OM een verdachte niet vervolgt, kan het zijn dat een rechtstreeks belanghebbende (bijvoorbeeld het slachtoffer) zich benadeeld voelt. De rechtstreeks belanghebbende kan een klacht over niet (verdere) vervolging instellen bij het gerechtshof op grond van art. 12 Sv.

Het strafproces is een procedure die in drie verschillende fasen uiteenvalt: opsporing, vervolging en berechting. De structuur van het Wetboek van Strafvordering volgt deze fasen. In boek 2 wordt de strafvordering in eerste aanleg geregeld. Daar worden onder andere het opsporingsonderzoek, de beslissingen omtrent (verdere) vervolging en tot slot het aanhangig maken van de zaak en de behandeling ter terechtzitting behandeld. In boek 3 worden de rechtsmiddelen behandeld en in boek 6 de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.

‘Rechtsmiddelen’ kunnen door de verdachte of het openbaar ministerie gebruikt worden tegen een uitspraak van de rechter. Een veel gebruikt rechtsmiddel is dat van ‘hoger beroep’.

Het is van belang te weten wanneer de strafvordering precies aanvangt; vanaf dat moment zijn de betreffende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. Meestal wordt aangenomen dat de strafvordering begint op het moment waarop sprake is van een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen

Contact FutureLearn for Support