Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

De vier materiële vragen

Pas als de rechter bij de formele vragen niet op problemen stuit, komen de materiële vragen in het kader van de inhoudelijke beoordeling aan bod. Deze vragen kun je terugvinden in art. 350 Sv.

1. Kan het tenlastegelegde feit worden bewezen?

Het tenlastegelegde feit moet ‘wettig en overtuigend’ bewezen zijn (art. 338 Sv). De rechter gebruikt hiervoor de wettige bewijsmiddelen (art. 339 e.v. Sv):

  • Zijn eigen waarneming
  • Getuigenverklaringen
  • Verklaringen ter zitting van de verdachte
  • Deskundigenverklaringen
  • Andere schriftelijke bescheiden (zoals processen-verbaal van de politie)

Op basis van die bewijsmiddelen moet de rechter ervan overtuigd zijn dat de verdachte het feit heeft begaan.

Als de rechter het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen acht, volgt vrijspraak.

2. Is het feit strafbaar volgens de wet?

Als de rechter het tenlastegelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen acht, moet er worden gekeken naar de strafbaarheid daarvan. Er moet gekeken worden naar de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit. Dit kan het makkelijkste worden uitgelegd aan de hand van een voorbeeld.

Stel dat de tenlastelegging als volgt luidt:

“Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 31 december 2014 in Groningen heeft weggenomen een auto, merk Volkswagen, geheel of gedeeltelijk toebehorende aan een ander dan hemzelf.”

De rechter kan dit wettig en overtuigend bewezen achten, maar het levert geen strafbaar feit op. Er mist immers een bestanddeel (zie eerder deze week). Het feit is slechts als diefstal te kwalificeren als de verdachte de auto wegnam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. In de tenlastelegging komt dit echter niet naar voren.

Verder moet gekeken worden of de strafbepaling verbindend is.

Een gemeentelijke strafbepaling die in strijd is met een hogere wettelijke regeling is bijvoorbeeld onverbindend. Zo oordeelde de rechter dat een bepaling in de APV van de gemeente Wassenaar inhoudende een verbod op het maken van foto’s bij de woning van Koning Willem-Alexander en Koningin Maxima onverbindend was, omdat die bepaling in strijd is met de grondrechtelijk beschermde vrijheid van nieuwsgaring. Een fotograaf die wordt vervolgd voor een overtreding van zo’n onverbindende bepaling zal daarvoor dan ook niet gestraft worden.

Als het feit volgens de rechter niet strafbaar is volgens de wet, volgt ontslag van alle rechtsvervolging (‘OVAR’) wegens niet-strafbaarheid van het feit.

3. Is de dader strafbaar?

Slechts als de rechter de vorige twee vragen positief heeft beantwoord, komt hij toe aan de derde vraag: is er sprake van een strafbare dader?

Hier komen de eerder besproken rechtvaardigingsgronden aan de orde:

  • Art. 40 Sr: overmacht (noodtoestand)
  • Art. 41 lid 1 Sr: noodweer
  • Art. 42 Sr: wettelijk voorschrift
  • Art. 43 Sr lid 1 Sr: ambtelijk bevel

Ook komen hier de schulduitsluitingsgronden om de hoek kijken:

  • Art. 39 Sr: ontoerekeningsvatbaarheid
  • Art. 40 Sr: overmacht (psychische overmacht)
  • Art. 41 lid 2 Sr: noodweerexces
  • Art. 43 Sr lid 2 Sr: onbevoegd gegeven ambtelijk bevel
  • Jurisprudentie: afwezigheid van alle schuld (‘AVAS’)

Als de rechter een strafuitsluitingsgrond aanwezig acht, volgt ontslag van alle rechtsvervolging (‘OVAR’) wegens niet-strafbaarheid van de dader.

4. Welke straf moet er worden opgelegd?

Als de rechter het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht, en het feit en de dader strafbaar acht, komt hij toe aan de sanctie: de op te leggen straffen en/of maatregelen.

Er zijn vier hoofdstraffen (art. 9 Sr):

  1. Gevangenisstraf
  2. Hechtenis
  3. Taakstraf
  4. Geldboete

Deze straffen kunnen ook (deels) voorwaardelijk worden opgelegd. De verdachte hoeft (een gedeelte van) de straf dan niet meteen te ondergaan, maar pas als hij zich binnen de proeftijd bijvoorbeeld weer schuldig maakt aan een strafbaar feit. De voorwaardelijke straf dient als een ‘stok achter de deur’.

Straffen dienen vooral ter afschrikking en vergelding. Maatregelen zijn vooral gericht op het herstellen van de oude toestand (betaling van schadevergoeding, ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel) of op het beveiligen van de maatschappij (TBS, ISD). We werken enkele belangrijke maatregelen hieronder nader uit:

  1. Terbeschikkingstelling (TBS) - Als de rechter ervan overtuigd is dat de verdachte ten tijde van het delict leed aan ‘een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens’, kan de rechter de maatregel TBS (met dwangverpleging) opleggen aan verdachte. Hieraan zijn wel voorwaarden verbonden.

  2. Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - Het komt nogal eens voor dat de dader van een strafbaar feit daaraan behoorlijk veel geld heeft verdiend. De rechter kan dan besluiten dat de dader een geldbedrag moet betalen aan de staat.

  3. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) - De rechter kan bepalen dat een veelpleger voor maximaal 2 jaar wordt vastgehouden in een instelling waar men probeert door intensieve behandeling het structurele patroon van crimineel gedrag te doorbreken.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen

Contact FutureLearn for Support