Skip main navigation
We use cookies to give you a better experience, if that’s ok you can close this message and carry on browsing. For more info read our cookies policy.
We use cookies to give you a better experience. Carry on browsing if you're happy with this, or read our cookies policy for more information.

De vier formele vragen

Tijdens de belangrijke laatste fase van het strafproces, het onderzoek ter terechtzitting, zal de rechter eerst de vier formele vragen beantwoorden. Deze kun je terugvinden in art. 348 Sv.

1. Is de dagvaarding geldig?

De zaak wordt ter terechtzitting “aanhangig” gemaakt doordat de officier van justitie een dagvaarding naar de verdachte stuurt (art. 258 Sv). De dagvaarding is een belangrijk document in de strafprocedure. Uit de in de dagvaarding opgenomen tenlastelegging blijkt welke gedraging de verdachte verweten wordt. De dagvaarding bevat dus belangrijke informatie voor de verdachte.

Daarnaast geeft de dagvaarding de grenzen van het strafproces aan. De dagvaarding informeert de verdachte over:

  • tijd en plaats van berechting;
  • het recht om getuigen en deskundigen op te roepen of deze zelf mee te brengen;
  • de vraag of er door de officier van justitie getuigen zullen worden opgeroepen;
  • de mogelijkheid tot rechtsbijstand;
  • het recht tegen de dagvaarding in eerste aanleg een bezwaarschrift in te dienen;
  • het feit waarvoor wordt vervolgd.

Art. 261 Sv schrijft voor dat de dagvaarding een opgave van het tenlastegelegde feit bevat, met vermelding van omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit zou zijn begaan. Daarnaast moet de dagvaarding ook de omstandigheden bevatten waaronder het feit zou zijn begaan. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor de geldigheid van de dagvaarding. De dagvaarding moet voldoende duidelijk zijn voor de verdachte en natuurlijk ook voor de rechter. Indien de dagvaarding niet aan de in art. 261 Sv genoemde eisen voldoet, is zij (in beginsel) nietig.

Als een dagvaarding nietig is, betekent dit niet dat de verdachte vrijuit gaat. De officier van justitie kan dan een nieuwe dagvaarding uitbrengen. Sommige fouten kunnen zelfs tijdens de zitting nog worden rechtgezet.

Een andere belangrijke geldigheidsvoorwaarde is de betekening. De dagvaarding moet door de officier van justitie aan de verdachte worden betekend. In art. 588 Sv staat op welke wijze deze betekening geschiedt. De dagvaarding moet in persoon worden uitgereikt indien de verdachte is gedetineerd in verband met de strafzaak waarop de dagvaarding betrekking heeft. Indien de dagvaarding niet in persoon hoeft te worden uitgereikt, geldt het uitgangspunt dat de uitreiking geschiedt op het adres dat is opgenomen in de GBA (gemeentelijke basisadministratie). Wanneer de dagvaarding niet op de juiste wijze wordt betekend en de verdachte niet ter zitting verschijnt, dan is de dagvaarding ‘nietig’.

Als een dagvaarding ‘nietig’ is, betekent dit niet dat de verdachte vrijuit gaat. De officier van justitie kan dan een nieuwe dagvaarding uitbrengen. Sommige fouten kunnen zelfs tijdens de zitting nog worden rechtgezet.

2. Is de de rechter bevoegd om van de zaak kennis te nemen?

De rechter moet zich daarna afvragen of hij wel bevoegd (competent) is om van de zaak kennis te nemen. Hij kijkt dan naar de ‘absolute competentie’ (welke rechter?) en naar de ‘relatieve competentie’ (waar?). Hieronder de hoofdregels:

Rechter in eerste aanleg

  1. Absolute competentie - Misdrijven worden behandeld door de rechtbank, sector strafrecht (art. 45 Wet RO). - Overtredingen worden behandeld door de rechtbank, sector kanton (art. 45 Wet RO, art. 382 sub b Sv).
  2. Relatieve competentie - Vaak de rechtbank van het gebied (arrondissement) waarbinnen het delict heeft plaatsgevonden (art. 2 Sv).

Rechter in hoger beroep

  1. Absolute competentie - Zowel overtredingen als misdrijven worden behandeld door het gerechtshof (art. 60 Wet RO, art. 404 lid 1 en 2 Sv).
  2. Relatieve competentie - Gerechtshoven oordelen over vonnissen van rechtbanken in hun gebied (ressort) (art. 60 Wet RO).

Rechter in cassatie

  1. Absolute competentie - Zowel overtredingen als misdrijven worden behandeld door de Hoge Raad (art. 78 Wet RO, art. 427 lid 1, 2 en 3 Sv).
  2. Relatieve competentie - Er is maar één Hoge Raad, gevestigd in Den Haag.

3. Is het Openbaar Ministerie ontvankelijk?

De rechter vraagt zich vervolgens af of er redenen zijn waarom het Openbaar Ministerie (in eerste aanleg vertegenwoordigd door de officier van justitie) de zaak niet kan voorleggen aan de rechter.

Deze redenen kun je onder andere terugvinden in de wet:

  • De verdachte is overleden (art. 69 Sr);
  • De verdachte is al eerder ‘onherroepelijk’ veroordeeld voor hetzelfde feit (ne bis in idem, art. 68 Sr);
  • De verdachte was jonger dan 12 jaar toen het feit werd gepleegd (art. 486 Sv);
  • Het feit is verjaard (art. 70 Sr);
  • De zaak is al met de verdachte geschikt (74 Sr).

De rechter kan het Openbaar Ministerie ook niet-ontvankelijk verklaren op basis van rechtsbeginselen of omdat er ongeoorloofde opsporingsmethoden zijn gebruikt (zoals het tijdens een verhoor bedreigen van de verdachte door de politie). Vanwege het inleidende karakter van deze cursus gaan we hier niet verder op in. Als je hier meer over wilt weten is een rechtenstudie het overwegen waard.

4. Moet de vervolging worden geschorst?

De rechter kan de vervolging bijvoorbeeld schorsen als de beslissing in de strafzaak afhangt van de uitkomst van een civiele zaak (art. 14 Sv). De rechter moet de vervolging ook schorsen als de verdachte zodanig ‘geestelijk gestoord’ is, dat hij de tegen hem ingestelde vervolging niet zou kunnen begrijpen (art. 16 Sv). Het komt overigens zelden voor dat een vervolging wordt geschorst.

Het schorsen van de vervolging moet niet worden verward met het schorsen van het onderzoek ter terechtzitting. Dit laatste kan de rechter doen in het belang van het onderzoek. Denk aan situaties dat de verdachte niet is verschenen, terwijl dit voor een goede behandeling wel nodig is, of als de rechter een deskundigenrapport moet afwachten. Dit gebeurt een stuk vaker.

Tot slot

Je ziet dat als de dagvaarding niet geldig is, of de zaak bij de verkeerde rechter is aangebracht - in populair taalgebruik ook wel ‘vormfouten’ genoemd - de verdachte in principe niet vrijuit gaat (de eerste twee formele vragen).

Denk aan een verkeerde datum op de dagvaarding of het aanbrengen van de zaak bij de kantonrechter terwijl dit de sector strafrecht moest zijn.

Share this article:

This article is from the free online course:

Inleiding Nederlands recht: de eerste stappen in de wereld van het recht

University of Groningen

Contact FutureLearn for Support