Skip main navigation

Learning Dutch Vocabulary

Learning Dutch vocabulary: we advise you how to learn Dutch words and useful phrases of the first week, English-Dutch, with the free tool Quizlet.
© University of Groningen

Learning a language means learning vocabulary. This is not always easy, but we will help you!

Below you will find some Dutch conversations with the English translations to help you learn basic Dutch vocabulary and conversational language.


Dialogue 1

Hé, hallo! Hi there!
Hoi! Hi!
Wie ben jij? What’s your name?
Ik ben Magda. I’m Magda.
Wat is je achternaam? What’s your surname?
Mijn achternaam is Delgado. My surname is Delgado.
Waar kom je vandaan? Where are you from?
Uit Spanje. I’m from Spain.
Waar woon je? Where do you live?
Nu? Nu woon ik in Nederland, in Groningen. Now? Now I live in the Netherlands, in Groningen.
Wat doe je? Studeer je? What are you doing? Are you studying?
Ja, ik studeer hier. Yes, I study here.
Ik studeer medicijnen. I’m studying medicine.
Wat is je adres? What is your address?
Ik woon in het centrum. I live in the city centre,
In de Marktstraat. in the Marktstraat.
Op welk nummer? What’s your house number?
Ha ha! Dat zeg ik niet! Ha ha! I’m not telling!
Sorry! Magda, hoe oud ben je? Sorry! How old are you, Magda?
Ik ben twintig. En jij? I’m twenty. What about you?
Ik ben achtentwintig. I’m twenty-eight.
Magda, heb je hobby’s? Magda, do you have any hobbies?
Ja. Ik vind zingen leuk. Yes. I like singing.
Ik houd van klassieke muziek. I love classical music.
Ik ook. Maar ik kan niet zingen! Me too, but I can’t sing!
Wat jammer! That’s a shame!
Heb je cd’s? Do you have CDs?
Ja, ik heb veel cd’s. Vijftig, zestig. Yes, I have lots of CDs. Fifty, sixty…
Heb je broers en zussen? Do you have brothers or sisters?
Ja, ik heb twee broers en één zus. Yes, I have two brothers and one sister.
Heb je foto’s? Do you have photos of them?
Ja. Kijk maar. Yes. Take a look.
Is dat jouw zus? Is that your sister?
Ja. Yes.
Dat is mijn zus. That’s my sister.
Zij woont in Toronto, met haar man en hun kinderen. She lives in Toronto, with her husband and their children.
Ze studeert daar. She’s studying there.
Wie zijn zij? Who are they?
Dat is mijn broer. That’s my brother.
En dat is zijn vrouw. And that’s his wife.
Leuk! Cool!
Ja. Ze zijn heel leuk. Yes. They’re great.
Wonen ze ook in Groningen? Do they live in Groningen as well?
Nee. No.
Zij wonen in Denemarken. They live in Denmark.
Waar? Where?
In Denemarken. In Denmark.
Oh. Oh.
Oké Magda. Dat was het. Dank je wel. Alright Magda. That’s that. Thank you very much.
Graag gedaan. My pleasure.
Tot ziens. Dag! See you! Bye!
Ja, dag! Tot ziens! Yes, bye! See you!

Dialogue 2

Dag meneer. Hello.
Dag. Ik ben Julian Danziger. Hello. My name is Julian Danziger.
Hoe heet u? What is your name?
Dag. Mijn naam is Liesbeth. Liesbeth Jansen. Hello. My name is Liesbeth. Liesbeth Jansen.
Sorry, wat is uw achternaam? Sorry, what was your surname?
Danziger. Danziger.
Zeg maar jij, hoor. But use the informal form, use ‘je’.
Graag. Thank you.
Julian, uit welk land kom je? Julian, which country do you come from?
Uit Duitsland. From Germany.
Uit Berlijn? From Berlin?
Nee, uit Hamburg. No, from Hamburg.
En nu woon je in Groningen? And you live in Groningen now?
Ja, dat klopt. Yes, that’s right.
Nu woon ik in Groningen. Now I live in Groningen.
En wat doe je? Studeer je? Werk je? And what are you doing? Are you studying? Are you working?
Ik werk hier. I work here.
Ik werk aan de universiteit. I work at the university.
Ik ben docent hier. I’m a lecturer here.
Woon je ook in Groningen? Do you live in Groningen too?
Sorry? Sorry?
Wat is je adres? What is your address?
Ons adres is Vondellaan 318. Our address is Vondellaan 318.
Ons adres? Met wie woon je? Our address? Who do you live with?
Met mijn vrouw en onze kinderen. I live with my wife and our children.
Wij hebben twee dochters. We have two daughters.
Leuk. Hoe oud zijn jullie kinderen? That’s nice. How old are your children?
Ze zijn zes en vier jaar. They are six and four.
Ze spreken ook een beetje Nederlands! They also speak a bit of Dutch!
Leuk! Hoe heten ze? Cool! What are they called?
Steffie en Katrin. Steffie and Katrin.
Katrin, met een c? Katrin, with a c?
Nee, met een k. En met een i. No, with a k. And an i.
Vinden jullie Groningen leuk? Do you like Groningen?
Ja, heel leuk. Yes, we really like it.
Werkt jouw vrouw ook? Does your wife work too?
Nee, ze werkt niet. No, she doesn’t.
Ze heeft geen baan. She doesn’t have a job.
Hebben jullie ook katten? Do you have cats too?
Nee, we hebben geen dieren. No, we don’t have any pets.
Oké. OK.
Julian, hoe oud ben je? Julian, how old are you?
Ik ben 44 jaar. I’m 44.
Je werkt. You work,
Je hebt een vrouw en twee dochters. you have a wife and two daughters.
Heb je vrije tijd? Do you have any spare time?
Ja hoor! Yes, sure.
Wat doe je in je vrije tijd? What do you do in your spare time?
Ik vind theater leuk. I like theatre.
Ik ga vaak naar het theater. I often go to the theatre.
Welk theater? Of alles? What kind of theatre? Or do you like all of it?
Modern theater. Modern theatre.
En jij, houd je ook van theater? How about you, do you like theatre too?
Nee, ik houd meer van sport. No, I prefer sport.
Ik voetbal en ik kijk graag naar atletiek. I play football and I like watching athletics.
O, dat is ook leuk. Oh, that’s fun too.
Oké Julian, dat was het. OK Julian, that’s that.
Bedankt. Thank you.
Alstublieft. No problem.
© University of Groningen
This article is from the free online

Introduction to Dutch

Created by
FutureLearn - Learning For Life

Reach your personal and professional goals

Unlock access to hundreds of expert online courses and degrees from top universities and educators to gain accredited qualifications and professional CV-building certificates.

Join over 18 million learners to launch, switch or build upon your career, all at your own pace, across a wide range of topic areas.

Start Learning now